En een bezoek aan een bijzondere bar
Wie Málaga op de fiets verkent, merkt al snel dat het verleden zich hier niet laat opsluiten in museumvitrines; het is een stad die in steen, marmer en hout over elkaar heen is gebouwd. In de historische wijk El Perchel, aan de westzijde van de stad, stappen we op de e-bike voor een toer door en rond de Spaanse kustplaats.
Direct storten we ons onder leiding van onze gids in het drukke verkeer. “Straks wordt het echt leuk”, roept ze lachend als we ons tussen de auto’s doorwurmen. Ze krijgt gelijk, merken we later.
Na een paar minuten steken we de Puente de la Esperanza over. Beneden ons ligt het betonnen kanaal van de Guadalmedina, de rivier die de stad in tweeën deelt en het grootste deel van het jaar droogstaat.
“Er lag een ambitieus plan om van deze bedding een groen stadspark te maken, precies zoals ze dat met de Turia in Valencia hebben gedaan,” vertelt Merle, onze gids, als we even later aan de overkant van de droge rivier stoppen en de schaduw opzoeken.

Merle woont al ruim tien jaar in Coín, een plaatsje in de heuvels van het binnenland net achter de kust, en kent het dagelijks leven in Málaga. “Maar het project is geschrapt vanwege de kosten en het overstromingsgevaar bij felle regenval in de bergen”, vervolgt ze. “Nu blijft het een strakke, lege geul van beton midden door de stad.”
Legioensoldaten en de Cristo de Mena

Iets verderop staat de Iglesia de Santo Domingo de Guzmán. In het koele halfduister van de kerk staat het houten beeld van de Cristo de la Buena Muerte, beter bekend als de Cristo de Mena. Merle vertelt dat de oorspronkelijke zeventiende-eeuwse barokke sculptuur van Pedro de Mena in 1931 verloren ging.(Het beeld is niet altijd te zien. Controleer de openingstijden bij de parochie)
Wat er nu staat, is een herschepping die beeldhouwer Francisco Palma Burgos in 1941 sneed aan de hand van oude glasnegatieven. Het beeld behoort toe aan de Congregación de Mena, een van de drieënveertig officiële broederschappen van de stad, en kent een hechte band met de militairen van het Spaanse Legioen (La Legión Española).

Op Witte Donderdag verandert dit plein in het emotionele hart van Málaga, vertelt Merle. “De legioensoldaten komen met een schip aan in de haven, stappen aan wal en trekken door de straten naar deze plek.”
Onder het zingen van hun lijflied El Novio de la Muerte dragen ze het loodzware houten beeld op hun schouders naar buiten. Het is een vorm van devotie die buiten de Semana Santa, de week voor Pasen, verscholen ligt in het schip van de kerk.
Waar de zee ooit het land raakte
Verder gaan we. Door het in onze ogen chaotische verkeer richting Mercado Municipal de Atarazanas. De naam herinnert aan het Arabische woord voor scheepswerf. In de veertiende eeuw, onder de Moorse Nasriden-dynastie, reikte de zee tot aan deze plek en werden hier schepen gebouwd.
Van de oorspronkelijke Moorse werf resteert nog de marmeren poort met de hoefijzerboog aan de noordzijde. Pas eind negentiende eeuw bouwde architect Joaquín de Rucoba hier een hal van gietijzer en glas rondom het monument. Waar nu drommen mensen langs de stalletjes lopen, gleden ooit de houten zeilschepen het water in.

Bij de visafdeling liggen verse ansjovis (boquerones), inktvissen en gamba’s op het ijs. Dit herkennen we nog, maar van de meeste vissen zegt de Spaanse naam ons niets.
Foto’s maken wordt hier niet op prijs gesteld, begrijp ik als ik mijn iPhone tevoorschijn haal. “Ola señor” klinkt het vanuit een van de kraampjes. Een man wijst op een stuk papier dat in het Spaans meldt dat fotograferen achterwege moet blijven.
Jasmijn en de erfenis van keizer Augustus
We vervolgen onze weg langs de schaduwrijke Alameda Principal en rijden door de Jardines de Pedro Luis Alonso, tussen het stadhuis en het park. Deze tuin werd in 1945 ontworpen door architect Fernando Guerrero-Strachan Rosado, met gesnoeide heggen, geometrische vijvers en talrijke rozensoorten.
Tussen de bomen staat het bronzen standbeeld van El Biznaguero, gegoten door Jaime Fernández Pimentel. Het toont de traditionele straatverkoper van biznagas: bloemstukjes gemaakt van ongeopende witte jasmijnknoppen die vóór de avond vastgepind worden op de gedroogde stengel van een wilde distel. In de koelte van de nacht openen de knoppen zich en verspreiden ze hun zoete geur door de straten.
Alcazaba en Teatro Romano
Dan beginnen we aan de klim. Zet de ondersteuning in een hogere stand en gebruik een lage versnelling, adviseert Merle ons. Dat blijkt een bruikbaar advies, want we moeten een behoorlijk steile helling bedwingen.
Aan de voet van de heuvel verrijst het Alcazaba, de elfde-eeuwse islamitische vesting van de Hammudiden-dynastie. Binnen de dubbele ring van verdedigingsmuren en wachttorens schuilen binnenhoven met sinaasappelbomen, fonteinen en hoefijzerbogen.
Direct aan de voet van deze Moorse muren rusten de stenen banken van het Teatro Romano, het Romeinse theater uit de tijd van keizer Augustus.
Klim naar de Gibralfaro
Al snel zijn we ver boven de stad. Aan deze kant van de Gibralfaro-heuvel hebben we uitzicht over de moderne wijken van Málaga met talrijke woontorens. Aan de andere kant kijken we uit over de haven en de zee (zie de foto boven dit artikel).
Verscholen tussen moderne gebouwen en niet ver van de vuurtoren, ligt de Plaza de Toros de La Malagueta, een zeshoekig bouwwerk uit 1876, opgetrokken in roodbruine baksteen en voorzien van neo-mudéjarbogen. Fel zonlicht brandt op het zand in het midden van de arena.
Door de verrekijker zien we de lege cirkel. De piste meet tweeënvijftig meter in doorsnee, vertelt Merle. Op dit uur van de middag beweegt er niets daar in de diepte. “Als de arena volstroomt, verandert alles hier,” zegt ze terwijl ze naar beneden wijst.
“Ik ben een paar keer naar een corrida, het stierenvechten, geweest. Het contrast tussen de feestelijke koperblazers van het orkest en de rauwe werkelijkheid van de stier die in een spoor van bloed de arena wordt uitgesleept, vergeet je nooit meer.”
Langs de kade naar La Farola
Over een slingerende weg zakken we met een flinke vaart af naar de kustlijn. Waar de haven lang afgesloten was, liggen nu de boulevard Muelle Uno en de promenade Palmeral de las Sorpresas. Een witte overkapping biedt schaduw tegen de brandende middagzon, terwijl bij de IGY Málaga Marina superjachten schitteren in het felle licht. Als contrast met het oogverblindende wit van de schepen staat El CUBE, de gekleurde glazen kubus van het Centre Pompidou Málaga.

Aan het uiteinde van de pier staat La Farola. De witgepleisterde vuurtoren uit 1817 heeft een opvallende naam. Waar een vuurtoren in het Spaans doorgaans met het mannelijke el faro wordt aangeduid, gebruiken de inwoners van Málaga de vrouwelijke vorm.
De ruim dertig meter hoge stenen toren flitst nog elke twintig seconden drie witte lichtbundels over het water, zichtbaar tot ruim veertig kilometer uit de kust.
Afsluiten met krijt op de bar
Nadat we de e-bikes weer hebben ingeleverd bij het beginpunt en afscheid hebben genomen van de gids, wandelen we op eigen gelegenheid terug richting de Alameda Principal. Onze fietstocht zit erop, maar we verlaten Málaga pas na een bezoek aan de Antigua Casa de Guardia.
De oudste taverne van Málaga werd in 1840 opgericht door D. José de Guardia. Er zijn geen tafels of stoelen; iedereen staat aan de langgerekte houten bar. Achter de toog zijn eikenhouten vaten opgestapeld, vol traditionele versterkte wijnen zoals Moscatel, Pajarete en Pedro Ximénez.

We bestellen glazen vermout. De ober tapt ze rechtstreeks uit de spon van het vat. Als hij onze bestelling op de bar heeft gezet, pakt hij een klein stukje wit krijt, buigt hij zich voorover en noteert hij het bedrag op het donkere hout. Als de glazen leeg zijn en we willen afrekenen, telt hij de bedragen op, pakt hij een vochtige doek en veegt hij het krijt uit.
Zo vluchtig als die witte strepen op het hout genoteerd staan, zo vast staan de stenen en de verhalen van deze stad. Málaga laat zich niet vangen in één enkele momentopnames. Het blijft een stad die balanceert tussen het stof van de arena, de devotie van het Spaanse legioen en de smaak van in eikenhout gerijpte vermout.
Praktische informatie
- Plaza de Toros de La Malagueta, geopend in 1876, ontworpen door architect Joaquín de Rucoba. De zandpiste heeft een doorsnee van 52 meter; de arena biedt plaats aan ruim 9.000 toeschouwers.
- Guadalmedina, de ‘rivier van de stad’ (uit het Arabisch Wad al-Medina). De bedding staat het grootste deel van het jaar droog. Plannen om er een stads- en rivierpark van te maken naar het voorbeeld van de Turia in Valencia zijn wegens technische en financiële onhaalbaarheid geschrapt.
- Semana Santa en broederschappen. Málaga telt 43 officiële broederschappen (cofradías). Op Witte Donderdag draagt het Spaanse Legioen de Cristo de la Buena Muerte (Cristo de Mena) door de stad, terwijl de soldaten El Novio de la Muerte zingen.
- Alcazaba, een 11e-eeuws Moors paleis- en fortcomplex, gebouwd onder de Hammudiden-dynastie op Romeinse restanten.
- Jardines de Pedro Luis Alonso, aangelegd in 1945 door Fernando Guerrero-Strachan Rosado. Oppervlakte: circa 6.500 m². Bevat het bronzen standbeeld El Biznaguero.
- Mercado de Atarazanas, Moorse scheepswerf uit de 14e eeuw. Het gietijzeren marktgebouw stamt uit het einde van de 19e eeuw. Geopend van maandag tot en met zaterdag, 09:00–14:00 uur.
- La Farola. Voltooid in 1817 naar een ontwerp van Joaquín María Pery. De toren is 33 meter hoog, het lichtbaken bevindt zich op 38 meter boven zeeniveau. Bereik: 25 zeemijlen (ongeveer 46 kilometer).
- Antigua Casa de Guardia, de oudste taverne van Málaga, opgericht in 1840 aan de Alameda Principal 18. Bekend om traditionele wijnen uit eikenhouten vaten en het noteren van de kosten met krijt op de bar.



Geef een reactie